DE VERDWENEN TJANDI TE SALATIGA (1/2)

 

Volgens N. J. Krom zou de oudste beschrijving van Javaanse oudheden dateren uit 1733 en van de hand wezen van C. A. Lons, onderkoopman en fiskaal te Samarang. Deze vertoefde in ge- noemd jaar als begeleider van de Commissaris F. J. Coyett enige tijd aan het keizerlijk hof té Karta-Sura en maakte van daaruit een tochtje naar het oude Mataramse gebied. Aan Coyett's dagregister is een verslag van Lons' reiservaringen gevoegd, waaruit blijkt, dat hij ook de tempels bij Prambanan heeft bezocht. Men vindt het verslag afgedrukt in de Bijdragen van het Kon. Instituut dl. III (1855) p. 10—12.

Aan dit verslag ontlenen wij de mededeling, dat hij een bezoek bracht aan „diverse capelletjes zonder onderscheyd van gedaante en fatsoen en grootte, als hetgeene, dat op Salatiga gevonden wert".

Terecht merkt Krom op, dat hieruit blijkt, „dat zoowel voor onszelf als voor degenen, voor wie zijn rapport bestemd was, dat tempeltje als een bekend vergelijkingsobject kon dienen" (Inleiding tot de Hindoe-Javaansche Kunst dl. l p. 3).

Deze bekendheid behoeft ons niet te verbazen, wanneer wij opslaande „Aantekening bij wijze van Dagregister", gehouden door de boekhouder en secretaris Hendrik Greven op de reis van F. J. Coijett,opperkoopman en gezaghebber van Java's  Noord-Oostkust naar Karta-Soera van 17 sept. tot 19 oct. 1730, aanwezig in het Koloniaal Archief in den Haag (No. 2061, 2e Register p. 29—30). Aldaar lezen wij onder19 sept. 1730:

„En den heer gesaghebber verliet Baweeng (Bawen), stelde de Coursna Salatiga, alwaar, na ten halv twaalff uuren een kleene halte aan de rivier van Toentang gehouden te hebben, ten één uuren sonder eenige ongemacken aankwam, en des namiddags om 5 uuren met sijn bijhebbende vrunden inspectie ging neemen van de gelegentheijt dier plaatse,en eenige fraeije waterspruijten, die de natuir uijt de grond voortbrengt, alsmede van een ouderwets verheven gebouw, staande op een heuvel  in een lopende rivier, bij forma van een graff, van sware met allerlei figuuren na der Chineese wijse uijtgehouwen klipsteenen, dat genoegsaam na reusenwerk gelijkt, geformeert, en na der Javanen reekening al voor eenige 100. jaeren door een heijlig man doen opbouwen totgedagtenis, in hetwelk te besigtigen een sware stortreegen kwam tevallen, die ons noodsaakte na het logement te keeren, en daar binnen te verblijven, alsoo dien regen den ganschen nagt aenhiew...."

Dat in 1733 met de Hoge Regering over een tempel te Salatiga kon gecorrespondeerd worden, als over een bekend monument, is dus volstrekt niet verwonderlijk. Er was drie jaar te voren reeds overgeschreven.

Merken we vooreerst op, dat Krom's twijfel aan de juistheid der plaatsaanduiding ongemotiveerd blijkt. De tempel lag inderdaad te Salatiga en wel blijkbaar niet ver van „eenige fraeije waterspruijten",zo mede „staende op een heuvel in een lopende rivier".De tempel zelf wordt beschreven als een „ouderwets verheven gebouw .... bij forma van een graff". Er stond dus nog al wat van overeind, terwijl de benaming „graf" vrij duidelijk op een tjandi, tempel wijst. Ook Van Goens noemt de Prambanan-tempels, waar hij tien keer langs was gekomen, graven. 1)

 Hiermede is de bouwwijze in overeenstemming: „sware uijtgehouwen dus: behouwen kalistenen. De grote afmetingen doen aan„reusenwerk" denken.

Dat de vreemde bezoeker het beeldhouwwerk als „figuren na der Chinese wijse" beschouwt is vergefelijk. Zelfs rd. adjeng Kartini acht het Javaans-Moslime beeldhouwwerk bij het graf van de vorst van Mantingan afkomstig uit China (Door Duisternis tot Licht 4e dr. p. 181).

Er valt dus moeilijk aan te twijfelen, dat Hendrik Greven in 1730te Salatiga een Hindoe-Javaanse tempelruïne bezocht en beschreef.

Wat is er sedert Greven's bezoek met de tempel van Salatiga geschied ?Ter beantwoording van deze vraag kan men een drietal gedrukte werken raadplegen, in afwachting van een degelijker, doch meer tijdrovend onderzoek in het Rijksarchief, waar ongetwijfeld wel een en ander zal te vinden zijn. Deze werken zijn:

H. J. Domis, Salatiga, Merbaboe en de Zeven Tempels (Verh. BatGen. X 1825 p. 107—108).
S. A. Buddingh, Neêrlands-Oost-Indië. Reizen .... gedaan .... van1852—57. Rotterdam 1859—61. dl. I, p. 175.
R.H.Th. Friederich, Rapport over reizen gedaan op Java (Tijdschrift Bat. Gen. XXIII 1876 p. 73).

1) H. J. de Graaf, De vijf gezantschapsreizen van Rijklof van Goens Linschoten-Vereeniging LIX p. 182-83.

Volgende pagina >>