Astaga.nl

Tijdlijn Indonesië 1900-1960

De Nationalistische Bewegingen in Nederlands Indië



Boedi Oetomo, de eerste politieke beweging  opgericht 1908

Boedi Oetomo *) werd opgericht door twee leerlingen van de voorheen slechts voor de Javaanse adel toegankelijke artsenschool in Batavia (School tot Opleiding van Indische Artsen, STOVIA): R. Soetomo en R. Goenawan Mangoenkoesoemo. Zij stelden zich als doel het onderwijs te verbeteren, stichting van een studiefonds voor Javaanse kinderen, ontwikkeling van techniek en industrie, herleving van de inheemse kunsten en wetenschappen. Boedi Oetomo was niet zozeer een politieke beweging, maar een vereniging die streefde naar culturele verheffing van het Javaanse volk en naar de verbetering van haar maatschappelijke positie in samenwerking met de Regering. Het eerste congres was als eerste demonstratie te zien van de bewustwording van de Indonesische bevolkingsvolksgroep.

Echter zij kreeg geen vat op het gewone volk, omdat de toon werd aangegeven door Javanen uit de bovenlaag der bevolking. Men dacht eerder te doen te hebben met een belangenvereniging van de adel dan met vertegenwoordigers van belangen van een bevolking die voornamelijk bestond uit arme rijstboeren, handwerkslieden en kleine handelaren. In 1912 moest zij dan ook haar positie afstaan aan de Sarekat Islam, die ook veel duidelijker en radicaler met de verbetering van de economische positie van de bevolking ging bezighouden.

*) Bahasa Indonesia:  budi = streven utama= superieur, hoger

Sarekat Islam opgericht 1912


 De Sarekat Islam (Moslimse Verbond), met als grootste leider Haji Umar Said Cokroaminoto, werd te Surakarta opgericht door handelaren en arbeiders werkzaam in de batikindustrie. Het was in feite een naamsverandering want voorheen heette deze vereniging 'Sarekat Dagang Islamiyah'. Dit Islamitische Handels Verbond werd in 1909 opgericht door Thirto Adhi, een Javaanse edelman. Zij stelde zich tot doel de inheemse ambacht en de inheemse handel zoals batikbedrijfjes te beschermen tegen Chinese handelaren die de afnameprijs dicteerden. Thirto Adhi echter werd door het Koloniale bestuur in discrediet gebracht en naar het eilandje Ambon verbannen. Vóór zijn vertrek echter, schreef hij nieuwe statuten voor zijn vereniging. Hierin voerden nationalisme en vrijheidsstreven de boventoon, en hij herdoopte zijn geesteskind vervolgens in de Sarekat Islam.

Het woordje 'Dagang' verviel weliswaar, maar de bevordering van de handelsgeest onder de bevolking bleef één van haar doeleinden.
Voorts o.a. bijstand aan leden die in moeilijkheden verkeerden, bevordering van de geestelijke en materiële ontwikkeling en het godsdienstige leven volgens de Islam.
Van grote psychologische betekenis was dat de gewone man, door zijn lidmaatschap van de SI, zich zelfbewuster en sterker voelde tegenover andere bevolkingsgroepen.
In het bijzonder die der Chinezen. De SI was geen homogene organisatie. Een deel der leiders (Cokroaminoto, Agoes Salim) legde de nadruk op de Islam, anderen hadden een communistisch uitgangspunt (Semaoen). Om 'links' tegemoet te komen, had men tot een 'compromis-formule' besloten, waarin het buitenlands kapitalisme ('het zondige kapitalisme') de oorlog werd verklaard.

De massaal toestromende aanhangers werden in eerste instantie aangetrokken door Messiaanse verwachtingen over de komst van de Ratu Adil, een rechtvaardige vorst die op Java een heilstaat zou stichten. Cokroaminoto liet zich e.e.a. welgevallen.
Maar toen hij verkondigde dat het communisme de nieuwe Messias was, betekende dit de uitholling van zijn beweging. Een Javaan kan zich slechts een Ratu Adil van vlees en bloed voorstellen. Genoemde tegenstellingen verzwakten na een aantal jaren de SI en uiteindelijk kwam het in 1923 tot een breuk en werden de communistische leden gedwongen de SI te verlaten. De belangrijkste Indonesiërs die de SI moesten verlaten waren ook lid van een andere organisatie, de Indische Sociaal Democratische Partij van Henk Sneevliet.

De SI bleef als kleine organisatie achter. De radicale leden waren tot de PKI overgegaan, terwijl een ander deel zich meer thuis voelde in niet-politieke organisaties als de Muhammadiyah.

De Muhammadiyah opgericht 1912


De Muhammadiyah, opgericht door Kyai Ahmad Dahlan in Yogyakarta, streefde naar de modernisering van de Mohammedaanse levensvoorschriften en tegelijk naar een terugkeer tot de oorspronkelijke voorschriften van de Koran. Door werkzaamheden op het gebied vanonderwijs en gezondheidszorg, door oprichting van scholen en ziekenhuizen e.d. trachtte zij de Zending en Missie de wind uit de zeilen te nemen.

De Indische Sociaal Democratische Vereniging (ISDV) / PKI opgericht 1914 

  De ISDV, door Henk Sneevliet in 1914 opgericht samen met Suwari Suryaningrat en Cipto Mangunkusumo, had aanvankelijk vooral Nederlandse leden. Maar met name in Semarang wist de ISDV ook een flink aantal linkse Sarekat Islam leden voor zich te winnen. De Sarekat Islam, met zijn grote aanhang bood bovendien beter mogelijkheden tot propaganda van de ISDV-ideeën onder de bevolking.

In 1920 veranderde de ISDV haar naam in PKI: Perserikatan Komunis di India en later in 1924 voor de Partai Komunis Indonesia (of Party Kommunist Indonesia).
Evenals de Sarekat Islam kreeg de PKI te maken met interne meningsverschillen.
Moest ze zich op de eerste plaats richten op de arbeiders of op de boeren, kon ze samenwerken met de bourgeoisie?
Bovendien werd ze ook het doelwit van een harder beleid van de Nederlandse koloniale regering tov de nationalistische beweging. PKI leiders werden gearresteerd, vergaderingen verboden, vakbondswerk onmogelijk gemaakt en de belangrijkste PKI-leiders (Semaoen, Darsono en Tan Malaka) verbannen. In 1924 kwamen de overgebleven leiders tot de conclusie dat een revolutie onvermijdelijk was. In november 1926 brak er op West-Java (Banten) een opstand uit en in 1927 op West-Sumatra. De Islam speelde een minstens even belangrijke rol in beide opstanden.
Het neerslaan van de opstanden betekende het einde van de PKI. Er bleef wel een illegale PKI bestaan, maar met haar leiders gearresteerd en verbannen of ondergronds had zij in de jaren na 1926 geen vertegenwoordigers meer in de nationalistische beweging.

De Indische Partij opgericht 1908




De Indische partij - later de Nationale Indische Partij genoemd - evenals de Insulinde Beweging waren pogingen van enige Indo-Europeanen om zich te identificeren met de goed opgeleide Indonesische elite. Zij kregen echter weinig steun van die zijde en spoedig realiseerde men zich dat de culturele en sociale oriëntatie van de Indo-Europeanen meer gericht was op de Nederlandse dan op Indonesische bevolkingsgroep.


In de strijd tegen de koloniale heerschappij vestigde Ernst Douwes Dekker zijn hoop vooral op de Indo-Europeanen, die hij in één politieke beweging wilde samenbrengen. Bestaande bewegingen als Boedi Oetomo, de Indische Bond en de Vereeniging Insulinde achtte hij hiertoe niet radicaal genoeg. Vandaar dat hij een nieuwe en - naar hij hoopte - politiek actievere organisatie oprichtte: de Indische Partij. Zij werd daarmee de eerste Indische politieke beweging die openlijk naar onafhankelijkheid van Nederland streefde. Douwes Dekker lanceerde de leus 'Indië los van Holland'. Hij hoopte alle 'beheerschten' in Indië, van welke achtergrond of herkomst dan ook, voor zijn partij te winnen en reisde hiertoe door geheel Java. Met zijn activiteiten bereikte hij echter vrijwel uitsluitend Indo-Europeanen die zich door de 'volbloed'-Nederlanders gediscrimineerd voelden.

Het doel van de Indische Partij was, volgens artikel 2 van de statuten, ‘het patriottisme aller Indiërs voor de bodem, welke hen voedt, wakker te roepen teneinde hen te nopen tot samenwerking op de grondslag van staatkundige gelijkstelling om dit Indische vaderland tot bloei te brengen en het voor een onafhankelijk volksbestaan voor te bereiden’. Hoewel de onafhankelijkheid van Indië een zaak was voor de toekomst, was dit in de toenmalige koloniale verhoudingen een ongehoord radicaal programma. Bovendien was de partij de enige organisatie die zich zonder clausules op het standpunt van de raciale gelijkheid stelde.

In maart 1913 claimde de partij ongeveer 7000 leden te hebben, onder wie circa 5500 Indo-Europeanen en 1500 Indonesiërs. De Indische Partij zou overigens geen lang leven beschoren zijn. Aangezien zij in de ogen van het gouvernement de openbare orde bedreigde, werd de partij in maart 1913 verboden en Dekker uit Nederlands-Indië gezet.

Hiermee werd alleen maar duidelijk dat de Nederlands-Indische regering niet van plan was om een normale politieke ontwikkeling in Indië een kans te geven.

De Indische Partij zou een rol hebben kunnen spelen als een partij voor Indo-Europeanen in Indonesie en een verbinding hebben kunnen maken tussen het Indonesische volk en de Nederlanders wanneer de Koloniale regering dit als zodanig had willen zien. Maar het Gouvernement daarentegen, legde zware druk op de Indo-Europeanen om de Indische Partij te verlaten onder de dreiging dat zij hun baan als ambtenaar zouden verliezen.
Dit, samen met de vrees voor de opkomende Indonesische intellectuele elite, joeg de Indo-Europeanen in een meer conservatieve richting en in 1919 richtten zij het Indo-Europees Verbond (IEV) op, teneinde hun traditionele voorrechten te behouden en hun maatschappelijke positie te beschermen.

Waarom vond de Indische Partij zo weinig weerklank onder de bevolking? Dit is waarschijnlijk hieruit te verklaren:
1. De belangrijkste leiders van de IP werden spoedig het land uitgewezen.
2. De Indo-Europeanen die van de blanken voortdurend vernederingen moesten ondergaan, probeerden op hun beurt de in hun ogen 'minder' zijnde Indonesiërs in eenzelfde situatie te manoeuvreren. Tegenover hen stond de bevolking mogelijk nog sceptischer dan tegenover de Javaanse adel, die tenminste nog kon bogen op een eeuwenoude traditie.


E.F. Douwes Dekker werd later samen met nog 145 andere "landverraders", ruim vier jaar in een kamp in Suriname gevangen gehouden. Hij keerde in 1947 naar Indonesie terug en was toen nog enige tijd actief als minister van staat en persoonlijk adviseur van Soekarno.

Partai Nasional Indonesia (PNI) opgericht 1927



De Perserikatan Nasional Indonesia - opgericht op 4 juli 1927 - ontstond uit twee bewegingen: de Perhimpoenan Mahasiswa Indonesia (Hatta), opgericht in Nederland in 1922 en de Studieclub Bandoeng (Soekarno) en stond onder voorzitterschap van Ir. Soekarno.

Op het eerste partijcongres in mei 1928 werd de naam veranderd in 'Partai Nasional Indonesia'.
Het eenheidsideaal vond zijn bekroning in de oprichting van de 'Permoefakatan Perhimpoenan-perhimpoenan Politik Kebangsaan Indonesia' (PPPKI), 'de overeenstemming van de politieke verenigingen van de volkeren van Indonesië'.
Deze PPPKI beoogde een federatie te zijn van alle politieke partijen in de gehele archipel. Deze overkoepelende beweging verving ook vroegere regionale splinter- organisaties als 'Jong Java', 'Jong Sumatra' en 'Jong Ambon'. Men nam een militante houding van non-coöperatie aan t.o.v. de Nederlandse regering als het gevolg van een fundamentele belangenverschil tussen het Indonesische nationalisme en het Nederlandse kolonialisme.

De Nederlandse koloniale regering pakte de Partai hard aan omdat men nog steeds dacht álles te kunnen besturen, en dat terwijl ze zelf door onderwijs e.d. had bijgedragen aan het opkomen van het nationalisme. De toespraken van Soekarno, tijdens bijeenkomsten, maakten grote indruk op de Indonesische jeugd en zweepte haar op tot grotere activiteit.
In oktober 28, 1928, tijdens het tweede Jeugdcongres in Jakarta kwam men tot de eed 'één land, één volk en één taal' (Sumpah Pemuda = Eed der Jongeren) en klonk voor het eerst de Indonesia Raya, het nationale volkslied.

Er was van een eed echter geen sprake, en hoewel een aantal jeugdverenigingen zoals Jong Java en de Jong Sumatranen Bond, besloten tot één Indonesische organisatie te fuseren, wenste een deel niet mee te doen. Toch had het Jongerencongres wel degelijk historische betekenis. Het ontwikkelde zich namelijk voor het verdere verloop van de ontwikkelingen als een historisch ijkpunt, een cruciaal symbool waarop in de strijd om nationale eenheid telkens weer werd teruggegrepen.
Joop de Jong, De waaier van het Fortuin, pag. 501, SdU uitgevers Den Haag 1998


Het Indo Europeesch Verbond (IEV) opgericht 1919



Het Indo-Europees Verbond werd in juli 1919 opgericht 'ter verdediging van belangen'. Het was eigenlijk geen politieke partij, maar een socio-etnische vereniging om een bepaald doel te bereiken. De overgrote meerderheid van de middenklasse van de Indo-europeanen sloot zich hierbij aan. In 1931 bereikte het ledental van de organisatie de 13.000. De 'verdediging van belangen' en gevoelens van 'loyaliteit ten opzichte van het Nederlandse gezag' brachten het Verbond dikwijls in direct conflict met de Indonesische Nationalisten. Zij vond zich - bij monde van haar voorzitter F.H. de Hoog in 1937 - de 'meest Indisch georiënteerde onder de Europese groep en de meest Nederlands georiënteerde onder de Indonesische groepen.

De Indo-Europeanen - de bevolking van 'gemengd bloed' - bevonden zich sociaal, economisch en politiek in een zeer onaangename positie. Wettelijk waren ze 'Europeanen' en dus uitgesloten van de rechten, uitsluitend genoten door Indonesiërs. Economisch gezien waren ze 'kolonialen' en om veel redenen, waarvan verscheidene onjuist, minder gewaardeerd en in loon achtergesteld bij de Europeanen van zuiver ras. Sociaal bevonden zij zich in een middenpositie, waarbij zij zowel van zuiver Europese zijde als van Indonesische zijde geminacht werden.
Indië was hun vaderland, maar ze waren geen Indonesiërs en wilden dat ook niet zijn. Men wilde zichzelf blijven, van een versmelting tot Indonesiërs wilden zij niet weten.

De Indo-groep pretendeerde, als geboren Oosterlingen, dichter te staan bij de Indonesiërs en wenste door deze Indonesiërs ook niet als vreemdelingen te worden beschouwd. Tegelijkertijd pretendeerden zij zo goed Nederlands te zijn als de Nederlanders en hechtten ze grote waarde aan het onverbrekelijk handhaven van de band met het moederland. Daaruit viel al te verwachten dat, zouden Nederlanders en Indonesiërs met elkaar in een scherp conflict raken, de Indo's de eerste en voornaamste slachtoffers zouden worden.

De positie der Indo-europeanen was niet anders te zien dan als een zeer tragische. Een groep die in de samenleving in een scheve positie was geplaatst; die zich Europeaan voelde en het staats- rechtelijk ook was, maar die voor het grootste deel sociaal en economisch behoorde tot de Indonesische massa, welke zij minachtte. Een groep waarop door de bovenlaag werd neergekeken en die door de Indonesiërs werd veracht als renegaten of - door de Indonesische bourgoisie - beschouwd als concurrenten; een groep die door de onderlaag langzamerhand uit haar positie werd gedrukt en die door de Nederlanders niet voldoende werd gesteund, omdat die in hun politiek van tegen elkaar uitspelen van Indonesiër en Indo het niet zover konden drijven dat hun eigen belangen daardoor zouden worden geschaad; een groep tenslotte die door de Revolutie gedwongen werd een keus te doen, welke, hoe dan ook, altijd zou neerkomen op het opgeven van een ideaal - 'Indie ons Vaderland' -, of van een staatsrechtelijke positie die sociaal aanzien had verschaft.

Citaat uit : J.M. Pluvier - Overzicht van de ontwikkelingen der nationalistische beweging in Indonesië; in de jaren 1930 tot 1942. (1953)